Citaat | Hoge Raad 8 mei 2001
Alinea 41 Hoge Raad 8 mei 2001
Een alinea uit Hoge Raad 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502.
12. Ik merkte hierboven reeds op dat de door Uw Raad in dit arrest gegeven uitleg van het begrip "zaak" in art. 591a als onbillijk wordt ervaren in gevallen waarin de op een dagvaarding staande feiten geen enkel verband met elkaar houden, bijvoorbeeld: de verdachte die is vrijgesproken van een omvangrijke fraude, kan geen vergoeding krijgen van de kosten van zijn raadsman indien op de dagvaarding ook nog als feit, waarvoor hij wel is veroordeeld, stond dat hij onder invloed een auto heeft bestuurd. Daar komt bij dat daardoor de vraag of na vrijspraak schadevergoeding mogelijk is van betrekkelijk toevallige en willekeurige omstandigheden afhankelijk wordt. Als - om bij het voorbeeld te blijven - het rijden onder invloed al bij de politierechter is aangebracht, wat meestal het geval zal zijn, kan bij vrijspraak in de fraudezaak schadevergoeding volgen, is dit misdrijf toevallig gevoegd bij de fraudezaak dan is dat onmogelijk. Dit zou - in theorie - zelfs tot oneigenlijke motieven om een extra feit op de dagvaarding op te nemen, zaken te voegen of gevoegde zaken te splitsen kunnen leiden, in die zin dat niet het belang van de lopende strafzaak, maar de wens om eventuele schadevergoeding na vrijspraak te voorkomen respectievelijk mogelijk te maken, de reden voor een dergelijke beslissing wordt(3).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e94c19a60878fa37896757ccd6ee969ae4956d6299e6ee53a29700ad4b5a954a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e94c19a60878fa37896757ccd6ee969ae4956d6299e6ee53a29700ad4b5a954a, en de alinea staat in dat document op bytes 16572 tot 17900.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e94c19a60878fa37896757ccd6ee969ae4956d6299e6ee53a29700ad4b5a954a | shasum -a 256