Citaat | Hoge Raad 11 mei 2001

Alinea 40 Hoge Raad 11 mei 2001

Een alinea uit Hoge Raad 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1559.

De Rechtbank heeft overwogen dat, zoals blijkt uit de hiervoor in 3.1.(iv) geciteerde brief van 25 november 1996, door Bénetière als dringende reden wordt aangemerkt dat [verweerder] in 1989 tijdens zijn sollicitatiegesprek bij Errut, en later bij het - door Bénetière aldus genoemde - intake-gesprek op 11 november 1996 en herhaald op 22 november 1996, opzettelijk valse informatie heeft verstrekt over de reden van de beëindiging van zijn dienstverband bij de NMB-Bank in 1983 (rov. 3.8). De Rechtbank overweegt voorts dat in beginsel op Bénetière de bewijslast van de aanwezigheid van de gestelde dringende reden rust (rov. 3.11) en vervolgt in rov. 3.12:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b245bbad8db1249a3afbac9169c41a63f0a9f1f5b0ebf46b37fe048b80d7a622. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b245bbad8db1249a3afbac9169c41a63f0a9f1f5b0ebf46b37fe048b80d7a622, en de alinea staat in dat document op bytes 11064 tot 11742.