Citaat | Hoge Raad 25 april 2001

Alinea 41 Hoge Raad 25 april 2001

Een alinea uit Hoge Raad 25 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1747.

4.4. Het onderdeel faalt ook voor het overige. De Rechtbank heeft tot - in cassatie niet bestreden - uitgangspunten genomen dat de bovenwoning aan [betrokkene D] was verhuurd, dat van de voor het gehele pand betaalde huurprijs een bedrag van f 1800 per jaar aan de bovenwoning moet worden toegerekend, en dat [betrokkene D] voor een vervangende vijfkamerwoning een bedrag van f 10.200 per jaar aan huur zou moeten betalen. Bij deze uitgangspunten zijn niet onbegrijpelijk de oordelen van de Rechtbank, in navolging van de deskundigen, dat de schade wegens hogere woonlasten moet worden berekend op basis van het verschil tussen f 1.800 per jaar en f 10.200 per jaar, dat die schade na aftrek van voordelen gekapitaliseerd f 54.600 bedraagt en dat de forfaitaire vergoeding ingevolge artikel 42, lid 2, van de Onteigeningswet derhalve niet in redelijke verhouding staat tot de werkelijke door [betrokkene D] geleden schade (het bedrag van f 54.600 verminderd met het voordeel wegens voortgezet gebruik van het onteigende ad f 1050 en vermeerderd met verhuis- en wederinrichtingskosten ad f 9000). Opmerking verdient hierbij dat de deskundigen en de Rechtbank blijkens overweging 22 van het vonnis onder ogen hebben gezien dat het op de bovenwoning betrekking hebbende deel van de huur aan de lage kant is en dat deze lage huur verband houdt met de familierelatie tussen de eigenaren en de huurder. Zij hebben in die omstandigheden echter terecht geen aanleiding gevonden het verlies van het voordeel van die lage huur buiten aanmerking te laten. Die omstandigheden staan op zichzelf immers niet in de weg aan de conclusie dat het verlies van dit voordeel een gevolg van de onteigening is, en noch uit het vonnis en het deskundigenrapport noch uit de overige stukken van het geding blijkt van omstandigheden of stellingen waaruit zou volgen dat naar redelijke verwachting de huur - de onteigening weggedacht - binnen afzienbare tijd zou worden aangepast aan wat de verhuurders objectief beschouwd aan huur konden bedingen (vgl. HR 12 april 2000, nr. 1279, NJ 2000, 625). De hier besproken oordelen van de Rechtbank behoefden in het licht van het debat van partijen geen nadere motivering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5aeb4c259418455a395a4c5229431b6af7fd48c9594e61d1762f29240bac1a93. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5aeb4c259418455a395a4c5229431b6af7fd48c9594e61d1762f29240bac1a93, en de alinea staat in dat document op bytes 14976 tot 17176.