Citaat | Hoge Raad 8 juni 2001

Alinea 34 Hoge Raad 8 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2018.

Het heeft daartoe, kort weergegeven, als volgt geoordeeld. De vordering is "betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst" in de zin van art. 39 onder 2° RO, nu zij berust op de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene A] en Jemo. Dat [verweerster], hoewel geen partij bij die arbeidsovereenkomst, toch op grond van die overeenkomst Jemo tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud kan aanspreken ter zake van de werkgeversaansprakelijkheid als voorzien in art. 7:658 BW, volgt uit het bepaalde bij art. 6:108 BW. De vordering behoort dus tot de kennisneming van de kantonrechter, maar is bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Nu Jemo de exceptie van onbevoegdheid niet heeft voorgesteld, heeft de rechtbank in het hoogste feitelijk ressort rechtgesproken en staat appel niet open, aldus het Hof.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3aa86eb9c2f95cee1715a547fd5ec59a95ef3f6cbe08227f4be6e7e23ece420. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3aa86eb9c2f95cee1715a547fd5ec59a95ef3f6cbe08227f4be6e7e23ece420, en de alinea staat in dat document op bytes 8882 tot 9701.