Citaat | Hoge Raad 8 juni 2001
Alinea 116 Hoge Raad 8 juni 2001
Een alinea uit Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2022.
2.1.11. Het spreekt dunkt mij vanzelf dat het tweede lid van art. 26 Wvg moet worden gelezen in verband met het eerste lid. De nietigheid van een rechtshandeling die is verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan het belang van een gemeente bij haar voorkeurspositie, moet door die gemeente worden ingeroepen binnen 8 weken nadat die rechtshandeling ter kennis van de gemeente is gekomen. Alvorens die nietigheidsactie in te stellen, zal de gemeente moeten hebben kunnen beoordelen of, en zo ja in hoeverre de aan te vallen rechtshandeling inderdaad de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan het belang van de gemeente bij haar voorkeurspositie. Wil een gemeente zo'n beoordeling kunnen maken, dan zal zij kennis moeten dragen, niet alleen van het bestaan, maar ook van de inhoud van de rechtshandeling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/27901c1f592025c3995489b4b4d4a06a3d4edaaf26ad386973db3b35fb6c1744. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 27901c1f592025c3995489b4b4d4a06a3d4edaaf26ad386973db3b35fb6c1744, en de alinea staat in dat document op bytes 42029 tot 42867.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/27901c1f592025c3995489b4b4d4a06a3d4edaaf26ad386973db3b35fb6c1744 | shasum -a 256