Citaat | Hoge Raad 8 juni 2001

Alinea 39 Hoge Raad 8 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2022.

Verder moet het volgende in aanmerking worden genomen. Weliswaar heeft de besproken bepaling de kennelijke strekking om de grondeigenaar en, in een geval als het onderhavige (zie de tweede alinea van 3.3.3 van de november-beschikkingen), de andere partijen bij de betrokken overeenkomst op korte termijn zekerheid te bieden of de gemeente al dan niet de nietigheid van de overeenkomst wil inroepen, doch anderzijds hebben deze partijen het zelf in de hand om de termijn te doen aanvangen door de gemeente de nodige informatie te verschaffen (vgl. de laatste volzin van lid 2 van art. 26). Wanneer het gaat om een overeenkomst als waarvan in het onderhavige geval sprake is, zal bovendien het in de november-beschikkingen onder 3.3.5 overwogene doorgaans al in een vrij vroeg stadium ertoe nopen om de nodige inlichtingen aan de gemeente te verschaffen. Tenslotte is voor de uitleg van de besproken bepaling nog van belang dat de aard van een dergelijke, vrij korte termijn meebrengt dat de termijn geen aanvang moet kunnen nemen, zonder dat dit voor de partij voor wie de termijn geldt, duidelijk is of bij redelijke zorgvuldigheid duidelijk had kunnen zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/27901c1f592025c3995489b4b4d4a06a3d4edaaf26ad386973db3b35fb6c1744. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 27901c1f592025c3995489b4b4d4a06a3d4edaaf26ad386973db3b35fb6c1744, en de alinea staat in dat document op bytes 12862 tot 14033.