Citaat | Hoge Raad 15 juni 2001
Alinea 54 Hoge Raad 15 juni 2001
Een alinea uit Hoge Raad 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2174.
3.6 Onderdeel 4 richt zich tegen de verwerping door de Rechtbank van appelgrief IX van WE, waarin zij erover klaagde dat de BHAC partijen niet in de gelegenheid had gesteld op de voet van art. 223 lid 5 Rv. opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Deze omstandigheid staat evenwel niet in alle gevallen eraan in de weg dat de rechter het deskundigenbericht aan zijn beslissing ten grondslag legt. In aanmerking genomen dat vóór verwijzing een uitvoerig debat tussen partijen aan het onderzoek door de BHAC is voorafgegaan, en dat partijen de gelegenheid hebben gehad na het uitbrengen van het advies een akte te nemen en bij gelegenheid van de door de Kantonrechter bevolen comparitie opmerkingen over het advies te maken, geeft het oordeel van de Rechtbank dat aan de processuele belangen van WE niet is tekortgedaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel behoefde ook geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1047f2c97cecb15061b74bca686339ba5b71dd98506f0bb4f9c97966007527fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1047f2c97cecb15061b74bca686339ba5b71dd98506f0bb4f9c97966007527fd, en de alinea staat in dat document op bytes 17863 tot 18816.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1047f2c97cecb15061b74bca686339ba5b71dd98506f0bb4f9c97966007527fd | shasum -a 256