Citaat | Hoge Raad 19 juni 2001

Alinea 46 Hoge Raad 19 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 19 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2200.

4.4. Het oordeel van het Hof “dat de officier van justitie door zijn opstelling - zowel vóór als tijdens de zitting - en met name het gebrek aan bereidheid om (tijdig) opheldering over de door de rechtbank in het voetspoor van de verdediging gesignaleerde onduidelijkheden te verschaffen” is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg de Officier van Justitie aldaar heeft verklaard dat hij “niet nu, maar pas na de behandeling van de feiten” inhoudelijk op het verweer wilde reageren, hetgeen bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat de Officier van Justitie van oordeel was dat de al dan niet gegrondheid van het verweer niet zonder nader onderzoek van de zaak zou kunnen blijken, terwijl uit dat proces-verbaal niet blijkt dat de Rechtbank, niettegenstaande dat door de Officier van Justitie ingenomen, kennelijk van haar oordeel afwijkende, standpunt, aan deze heeft verzocht zich reeds in het kader van de behandeling van het door de raadsman gevoerde preliminaire verweer uit te laten omtrent het verweer en de dienaangaande bij de Rechtbank gerezen vragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a34ffab81e275977ffdca38ed50bcbe2d9eb39bf26559d716b3abe73614ed719. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a34ffab81e275977ffdca38ed50bcbe2d9eb39bf26559d716b3abe73614ed719, en de alinea staat in dat document op bytes 19205 tot 20427.