Citaat | Hoge Raad 22 juni 2001

Alinea 151 Hoge Raad 22 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2238.

2.20. In de tweede plaats - voor het geval het BenGH de toetsing niet beperkt acht tot hetgeen in de branche algemeen bekend is - zou de prejudiciële vraag moeten worden gesteld, wat de eisen van geobjectiveerde goede trouw met zich meebrengen ten aanzien van de mate van onderzoek (naar eerder gebruik), dat van de voorgebruiker mag worden verlangd. Met name is daarbij van belang, of die eisen ook meebrengen, dat onderzoek (naar "voor-voorgebruik") buiten het Beneluxgebied van de voorgebruiker mag worden verlangd. Indien die vraag niet in algemene zin te beantwoorden is, zou concreet gevraagd kunnen worden of de rechter bij zijn toetsing van de geobjectiveerde goede trouw van de voorgebruiker de eis mag stellen dat de voorgebruiker zich tevoren ervan vergewist, wat er in de desbetreffende branche, de markt van vitaminepreparaten, gebeurde, zowel binnen als buiten de Benelux en met name ook in de VS als de bakermat en trendsetter van de vitaminecultuur. Iedere verdere beslissing op de subonderdelen 2.1 en 2.2 ware aan te houden tot na de beantwoording van deze prejudiciële vragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1fa4315c45cfa0caec6f5e511b2ca508bcde766ceb23208871f9b70f2eb6fa4f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1fa4315c45cfa0caec6f5e511b2ca508bcde766ceb23208871f9b70f2eb6fa4f, en de alinea staat in dat document op bytes 53127 tot 54237.