Citaat | Hoge Raad 27 juni 2001

Alinea 23 Hoge Raad 27 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 27 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2314.

Het ligt in de lijn van het voorgaande om met het in artikel 6, lid 1, EVRM begrepen recht voor de beschuldigde om te zwijgen en om zichzelf niet te behoeven incrimineren, tevens in die zin rekening te houden dat voorzover een belanghebbende, ofschoon hij tot het afleggen van een verklaring kon worden verplicht, heeft geweigerd te voldoen aan de verplichting een van hem gevorderde verklaring af te leggen, in het kader van de vaststelling en toetsing van een boete aan die weigering als zodanig geen voor hem nadelig gevolg mag worden verbonden. Hieruit volgt dat het Hof aan zijn oordeel met betrekking tot de toepasselijkheid in het onderhavige geval van artikel 29, lid 1, AWR, neerkomende op een omkering en verzwaring van de bewijslast, voor wat betreft de boete-oplegging niet mocht doen bijdragen dat belanghebbende had geweigerd een verklaring te geven voor contante stortingen op zijn bankrekening.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f8be50ec84d26320a60fc02459d0ec4a37e4d0675edb6fd4392980d0098ec0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f8be50ec84d26320a60fc02459d0ec4a37e4d0675edb6fd4392980d0098ec0f, en de alinea staat in dat document op bytes 12514 tot 13437.