Citaat | Hoge Raad 29 juni 2001
Alinea 75 Hoge Raad 29 juni 2001
Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2435.
3.7.2 Het Hof heeft deze grief verworpen in rov. 4.10. De eerste drie volzinnen van deze rechtsoverweging moeten als volgt worden begrepen. De verbintenis van Kuron om door haar verkregen vorderingen aan de bank te verpanden vloeide voort uit de stamcessieovereenkomst van 21 mei 1991. Verpanding door Kuron van haar vorderingen geschiedde in ieder geval niet onverplicht voorzover zulks strekte tot zekerheid van betaling van hetgeen de bank na de opzegging van het krediet van Kuron had te vorderen. Dit saldo is door de bank en Kuron vastgesteld. Hetgeen de bank boven dit saldo heeft ontvangen heeft zij aan de curator afgedragen. Deze overwegingen kunnen 's Hofs oordeel dragen dat de hier bedoelde twee verpandingen niet onverplicht zijn geschied dragen. Zij zijn niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de curator te dezer zake in de feitelijke instanties had aangevoerd, behoefde laatstbedoeld oordeel geen nadere motivering.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfa5ae85575f682f406030e89709a0fad81a4ce4a0d07db22c9a8e91c1fd5012. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfa5ae85575f682f406030e89709a0fad81a4ce4a0d07db22c9a8e91c1fd5012, en de alinea staat in dat document op bytes 26717 tot 27670.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bfa5ae85575f682f406030e89709a0fad81a4ce4a0d07db22c9a8e91c1fd5012 | shasum -a 256