Citaat | Hoge Raad 29 juni 2001

Alinea 42 Hoge Raad 29 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2549.

Naar het oordeel van het Hof brengt het wettelijke stelsel echter mee dat de in art. 822 lid 1, sub c, Rv. voor echtscheidingsprocedures voorziene mogelijkheid, dat de rechter bij voorlopige voorziening voor de duur van het geding kan bepalen dat een minderjarige aan een der echtgenoten zal worden toevertrouwd, ook openstaat in andere gevallen van conflictueuze beëindiging van medegezag, nu deze gevallen niet verschillen van gezagsproblemen bij scheiding. Het Hof achtte een vordering tot voorlopige toevertrouwing van het kind aan de vader totdat de rechter in de bodemprocedure definitief ten aanzien van het ouderlijk gezag heeft beslist, als het mindere beslo-ten in de vordering van de vader tot toewijzing van het ouderlijk gezag over het kind bij uitsluiting aan hem tot het tijdstip dat de rechter ten gronde zou hebben beslist. Deze minder ver strekkende vordering achtte het Hof toewijsbaar. De overige grieven van de vrouw werden door het Hof verworpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f07cfca962b09818534b3224d84fc0564785dd5dfbc9bf24de78f1b25b9e3a96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f07cfca962b09818534b3224d84fc0564785dd5dfbc9bf24de78f1b25b9e3a96, en de alinea staat in dat document op bytes 12261 tot 13244.