Citaat | Hoge Raad 29 juni 2001
Alinea 57 Hoge Raad 29 juni 2001
Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2549.
Nu de wet voor het verkrijgen van een voorlopige voorziening hangende een dergelijke bodemprocedure geen bijzondere procesgang kent, moet worden aangenomen dat de president in kort geding op grond van art. 289 Rv. bevoegd is tot het treffen van voorlopige voorzieningen, voorzover hij daarvoor gronden aanwezig acht. Het Hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, in zoverre met analoge toepassing van art. 822 lid 1, onder c, Rv., het voorlopig toevertrouwen van het kind aan de vader aan te merken als een passende voorziening.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f07cfca962b09818534b3224d84fc0564785dd5dfbc9bf24de78f1b25b9e3a96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f07cfca962b09818534b3224d84fc0564785dd5dfbc9bf24de78f1b25b9e3a96, en de alinea staat in dat document op bytes 16269 tot 16836.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f07cfca962b09818534b3224d84fc0564785dd5dfbc9bf24de78f1b25b9e3a96 | shasum -a 256