Citaat | Hoge Raad 12 oktober 2001

Alinea 43 Hoge Raad 12 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2566.

De Staat heeft zich tot zijn verweer in de eerste plaats erop beroepen dat de vordering van [verweerster] is verjaard ingevolge de in de Wet van 31 oktober 1924 (Stb. 482) voorziene verjaring. [Verweerster] heeft tegen dit beroep op verjaring aangevoerd dat zij de verjaring heeft gestuit bij haar brieven van 16 oktober 1990 en 8 november 1995, hiervoor vermeld in 3.1 onder (vii) en (viii). De Rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 16 oktober 1990 geen, maar de brief van 8 november 1995 wel een stuiting inhoudt. Daarvan uitgaande oordeelde de Rechtbank dat de vordering van [verweerster] was verjaard voor zover het de periode van 1978 tot en met 1989 betreft, zodat [verweerster] wat betreft deze periode niet in haar vordering kon worden ontvangen. De vordering van [verweerster], voor zover deze de periode van 1 januari 1990 tot en met 30 juni 1990 betreft, heeft de Rechtbank afgewezen omdat, naar haar oordeel, niet was gebleken van onrechtmatig handelen door de Staat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/565d99d55e1b589751b973f6ad1f88a40bb9596f73471cf96bcc91dbe6897633. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 565d99d55e1b589751b973f6ad1f88a40bb9596f73471cf96bcc91dbe6897633, en de alinea staat in dat document op bytes 12965 tot 13963.