Citaat | Hoge Raad 2 november 2001
Alinea 42 Hoge Raad 2 november 2001
Een alinea uit Hoge Raad 2 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2733.
3.7 Het tweede middel betreft de vraag of de betalingsonmacht tijdig is gemeld. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag is opgelegd vanwege de omstandigheid dat, in de woorden van artikel 7, lid 2, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: Uitvoeringsbesluit), de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is voldaan. Met een beroep op die bepaling heeft [eiser] aangevoerd dat de betalingsonmacht tijdig is gemeld, nu de melding op 5 mei 1994 heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft dat verweer verworpen op grond van de overwegingen, samengevat, dat artikel 7 Uitvoeringsbesluit niet van toepassing is nu [eiser] niet te goeder trouw mocht menen dat niet meer belasting verschuldigd zou zijn dan was aangegeven, dat uit het boekenonderzoek is gebleken dat de aangifte omzetbelasting niet overeenstemde met de gegevens terzake in de boekhouding en dat [eiser] als bestuurder kan worden verweten dat de vennootschap niet overeenkomstig de boekhouding aangifte heeft gedaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db349e4827a2e82ecdd76ef5fc21086309b599f22a3f9b3bf6b0c613d599ceda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db349e4827a2e82ecdd76ef5fc21086309b599f22a3f9b3bf6b0c613d599ceda, en de alinea staat in dat document op bytes 13126 tot 14175.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/db349e4827a2e82ecdd76ef5fc21086309b599f22a3f9b3bf6b0c613d599ceda | shasum -a 256