Citaat | Hoge Raad 26 oktober 2001

Alinea 30 Hoge Raad 26 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2741.

3.3 Het Hof te 's-Gravenhage oordeelt in rov. 6 dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval niet meebrengen dat de door [eiser] als gevolg van zijn wanprestatie jegens Monda contractueel verschuldigde boete van ƒ 90.000,-- moet worden gematigd en neemt daarbij een aantal omstandigheden, onder (a) tot en met (h) opgesomd, in aanmerking. In rov. 7 oordeelt het Hof dat het evenals het Gerechtshof te Amsterdam in de bestreden beslissing onvoldoende grond ziet voor matiging van de door partijen jegens elkander verschuldigde boete, zodat het Hof opnieuw in gelijke zin zal beslissen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac7dddfebc35d6ed09e3dd0bab22cb083b3d5838af6e64a1621d5a134b55d349. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac7dddfebc35d6ed09e3dd0bab22cb083b3d5838af6e64a1621d5a134b55d349, en de alinea staat in dat document op bytes 7158 tot 7759.