Citaat | Hoge Raad 26 oktober 2001

Alinea 33 Hoge Raad 26 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775.

De Rechtbank heeft, verwijzend naar een op de computer van [eiser] aangetroffen brief en de inhoud van diens verklaring bij de politie, geoordeeld dat [eiser] als gevolg van, althans in verband met, de omstandigheid dat hij door [verweerster] was afgewezen of gekrenkt, met het oogmerk [het kind] aan [verweerster] te ontnemen tot zijn handelen is gekomen. De Rechtbank heeft daaruit de conclusie getrokken dat [eiser] heeft gehandeld met het oogmerk om [verweerster] niet in vermogensschade uit te drukken nadeel toe te brengen. Zij heeft geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend, nu het handelen van [eiser] een handelen oplevert als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/194c12e961ea604b34d3a68fb3e006984f8a7b152b3377d04aa385a144599197. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 194c12e961ea604b34d3a68fb3e006984f8a7b152b3377d04aa385a144599197, en de alinea staat in dat document op bytes 8296 tot 9045.