Citaat | Hoge Raad 9 oktober 2001

Alinea 18 Hoge Raad 9 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3249.

"De raadsvrouwe heeft namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de uitlevering voor de feiten welke bewezen zijn verklaard bij het tegen de opgeëiste persoon bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 10 oktober 2000 ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de opgeëiste persoon niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld haar verdediging te voeren terwijl bovendien moet worden aangenomen dat zij niet alsnog daartoe in de gelegenheid zal worden gesteld nu aangenomen moet worden dat namens de opgeëiste persoon tengevolge van een beroepsfout van haar toenmalige Belgische advocaat tegen dit vonnis geen verzet doch ten onrechte hoger beroep is ingesteld. Dientengevolge moet, aldus de raadsvrouwe, aangenomen worden dat de opgeëiste persoon in haar hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard terwijl voor haar de termijn om tijdig in verzet te komen inmiddels is verstreken, waardoor ook het verzet niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Door ook ter zake van de in het vonnis bewezen verklaarde feiten uit te leveren zou Nederland het door artikel 6, derde lid onder c, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) gewaarborgde recht zichzelf te verdedigen, schenden".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb535daeba3cf0ecc46a8a61985a4ba60bc97ff0fa3866695c11d73205bc5651. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb535daeba3cf0ecc46a8a61985a4ba60bc97ff0fa3866695c11d73205bc5651, en de alinea staat in dat document op bytes 6057 tot 7375.