Citaat | Hoge Raad 30 november 2001
Alinea 47 Hoge Raad 30 november 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3953.
3.3.5 Onderdeel 1.3 strekt ten betoge, kort gezegd, dat het bepaalde bij art. 3:35 dan wel 3:36 BW meebrengt dat een derde-beslagene zich na het afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 476a niet erop kan beroepen dat de door hem afgelegde verklaring onjuist was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7aee4747334c9f52ec338188e88c149cb7d25be66ac232807e19447e59a09fe8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7aee4747334c9f52ec338188e88c149cb7d25be66ac232807e19447e59a09fe8, en de alinea staat in dat document op bytes 14920 tot 15203.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7aee4747334c9f52ec338188e88c149cb7d25be66ac232807e19447e59a09fe8 | shasum -a 256