Citaat | Hoge Raad 14 december 2001

Alinea 85 Hoge Raad 14 december 2001

Een alinea uit Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3967.

3.5.4 De Hoge Raad zal vervolgens eerst de klacht onder 3.4.2.1 behandelen, voorzover deze gericht is tegen het oordeel van het Hof dat Maars ook daarom niet in het van haar verlangde bewijs is geslaagd omdat de verklaringen van de vier getuigen uit het segment van de aanbieders, die zeggen de bewuste afbeelding uit de catalogus van Suckow & Fischer wel vóór 9 april 1991 te hebben gekend, onvoldoende geloofwaardig zijn. Anders dan de klacht betoogt, geeft dit oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het berust op een waardering van het bewijsmateriaal, die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde evenmin nadere motivering. De klacht faalt derhalve in zoverre.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d117bb06f928040d6b402feccd7c2ebdc55cff77a7f648231a59a18c781ef4e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d117bb06f928040d6b402feccd7c2ebdc55cff77a7f648231a59a18c781ef4e9, en de alinea staat in dat document op bytes 26337 tot 27167.