Citaat | Hoge Raad 18 december 2001
Alinea 34 Hoge Raad 18 december 2001
Een alinea uit Hoge Raad 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4292.
3.6.1. Indien veronderstellenderwijze sprake zou zijn geweest van het buiten Nederland deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk zou hebben gehad het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van MDMA en heroïne, zou Nederland op grond van art. 2 Sr rechtsmacht hebben gehad. Immers in dat geval zou de organisatie zijn gericht op het in Nederland verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. In dat geval heeft het feit van de deelneming zich in elk geval ook in Nederland voorgedaan en zou de betrokkene zich in Nederland aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt. Overigens zou in een dergelijk geval ook reeds op grond van art. 2, derde lid onder a in verbinding met art. 2, vierde lid onder a van het toepasselijk verdrag en het hierna onder 3.6.2 aangeduide art. 13, derde lid onder a, Opiumwet de uitlevering voor die feiten kunnen worden toegestaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ac249f22b589897128b29341e7fd1e5b7525ece4fa6a89dd556a38da85cdcd2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ac249f22b589897128b29341e7fd1e5b7525ece4fa6a89dd556a38da85cdcd2, en de alinea staat in dat document op bytes 13236 tot 14139.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ac249f22b589897128b29341e7fd1e5b7525ece4fa6a89dd556a38da85cdcd2 | shasum -a 256