Citaat | Hoge Raad 18 december 2001

Alinea 46 Hoge Raad 18 december 2001

Een alinea uit Hoge Raad 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4292.

4.5. Voorzover het middel voorts berust op de stelling dat de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering oordeelt het bewijs, dat ten behoeve van de staat die uitlevering verzoekt voordien is vergaard met behulp van door Nederland als aangezochte staat verleende rechtshulp, op een andere wijze zou behoren te toetsen op de rechtmatigheid van zijn verkrijging dan bewijs dat niet door middel van zodanige rechtshulpverlening is verkregen, vindt het geen steun in het recht. Als uitgangspunt geldt dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat. Dat geldt in beginsel ook wanneer Nederland aan die bewijsgaring heeft bijgedragen door de verlening van rechtshulp.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ac249f22b589897128b29341e7fd1e5b7525ece4fa6a89dd556a38da85cdcd2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ac249f22b589897128b29341e7fd1e5b7525ece4fa6a89dd556a38da85cdcd2, en de alinea staat in dat document op bytes 18378 tot 19209.