Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2001
Alinea 21 Hoge Raad 30 oktober 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4366.
3.2.2. Blijkens de toelichting berust de klacht kennelijk op de opvatting dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, in een geval als het onderhavige het tijdsverloop tussen het instellen door de verdachte van een rechtsmiddel dat tegen de bestreden uitspraak niet openstaat en het wijzen van de daardoor uitgelokte conversiebeslissing behoort te worden meegerekend als niet aan de verdachte zelf toe te rekenen vertraging. Die opvatting is onjuist. Voorzover het middel op die opvatting berust is het daarom tevergeefs voorgesteld (vgl. HR 20 maart 2001, ELRO ZD 2353).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea644ff72a4bb38ae7593e38870a29f8d0042ef0e71851521e59aa7edc830067. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea644ff72a4bb38ae7593e38870a29f8d0042ef0e71851521e59aa7edc830067, en de alinea staat in dat document op bytes 7542 tot 8219.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea644ff72a4bb38ae7593e38870a29f8d0042ef0e71851521e59aa7edc830067 | shasum -a 256