Citaat | Hoge Raad 13 november 2001
Alinea 36 Hoge Raad 13 november 2001
Een alinea uit Hoge Raad 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4389.
5.4. Na ontvangst van de stukken door de Hoge Raad, binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep, is het proces van administratieve handelingen en aanzeggingen in gang gezet dat nodig is voor de behandeling ter zitting en het nemen van een beslissing op het cassatieberoep door de Hoge Raad. In de loop daarvan is de onvolledigheid van de ingekomen stukken gebleken en is vervolgens alsnog een volledig exemplaar van de bestreden uitspraak bij de Hoge Raad binnengekomen en in afschrift aan de raadsman gestuurd. Het verzuim heeft weliswaar tot lichte vertraging geleid doch deze is beperkt gebleven, zodat de Hoge Raad ruim 16 maanden na het instellen van het cassatieberoep door de verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verblijft, zijn uitspraak doet. Door of namens de verdachte zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die in weerwil van het vorenoverwogene tot het oordeel zouden moeten leiden dat het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is geschonden. Daarom faalt het middel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/104f9cc9c6dcdb9789becc33a6564b10fec059eb1cc47337f3585a8d83688f4e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 104f9cc9c6dcdb9789becc33a6564b10fec059eb1cc47337f3585a8d83688f4e, en de alinea staat in dat document op bytes 10362 tot 11489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/104f9cc9c6dcdb9789becc33a6564b10fec059eb1cc47337f3585a8d83688f4e | shasum -a 256