Citaat | Hoge Raad 21 december 2001

Alinea 113 Hoge Raad 21 december 2001

Een alinea uit Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499.

5.1.2 Onderdeel 1.1 betoogt dat de hiervoor aangehaalde overweging uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, nu in eerste aanleg door de eisende crediteuren van [het bouwbedrijf] feiten en omstandigheden aan hun vordering tegen [verweerders] ten grondslag zijn gelegd, die, indien juist bevonden, tot het oordeel zouden leiden dat het handelen of nalaten van [verweerder 3] en [verweerder 1] niet specifiek jegens de eisende crediteuren, maar jegens de gezamenlijke crediteuren van [het bouwbedrijf] onrechtmatig is. Een zodanige vordering kan slechts door de curator worden ingesteld. Zou het anders zijn, aldus het onderdeel, dan zouden de eisende crediteuren in feite met voorbijgaan van andere crediteuren hun vordering met voorrang behandeld krijgen, hetgeen een onaanvaardbare doorbreking van de faillissementsprocedure zou opleveren; niet-ontvankelijkheid van de eisers had dan ook moeten volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/298d1a8cb1aca3a6f61ef0de7676901ff7621b3b2b99c7d40ee5cb0b1263996e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 298d1a8cb1aca3a6f61ef0de7676901ff7621b3b2b99c7d40ee5cb0b1263996e, en de alinea staat in dat document op bytes 33743 tot 34659.