Citaat | Hoge Raad 14 december 2001

Alinea 64 Hoge Raad 14 december 2001

Een alinea uit Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4504.

Het hier aan de orde zijnde betoog van [eiser] kan niet anders worden opgevat dan dat hij zich erop beroept dat hij, ingevolge hetgeen tussen partijen is overeengekomen, niet aan het concurrentiebeding is gebonden. Van een onjuiste rechtsopvatting heeft de Rechtbank blijk gegeven indien zij mocht hebben geoordeeld dat voor het oordeel dat [eiser] geen beroep erop kan doen dat het concurrentiebeding niet van toepassing is, voldoende is dat zulks voortvloeit uit hetgeen de redelijkheid eist. Aldus oordelende zou de Rechtbank hebben miskend dat het voor het op de voet van art. 6:248 lid 2 BW buiten toepassing laten van een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet voldoende is dat zulks voortvloeit uit hetgeen de redelijkheid eist, maar dat zodanige regel slechts dan niet van toepassing is voorzover de toepassing ervan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc81d7c3d8001b40268f7b7d046f94840d466af4b9fd539d39c85ff18be22251. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc81d7c3d8001b40268f7b7d046f94840d466af4b9fd539d39c85ff18be22251, en de alinea staat in dat document op bytes 18235 tot 19197.