Citaat | Hoge Raad 23 oktober 2001
Alinea 161 Hoge Raad 23 oktober 2001
Een alinea uit Hoge Raad 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727.
5.7. Het aan de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman onthouden van het recht om rechterlijke beslissingen uit te lokken, zoals bij voorbeeld het doen van verzoeken om bepaalde getuigen of deskundigen te horen, behoeft niet te betekenen dat die getuigen of deskundigen ook niet zullen worden opgeroepen. De raadsman is immers bevoegd om de wens uit te spreken dat die getuige of deskundige door het hof zal worden gehoord en het hof kan die wens honoreren. Alleen van een verplichting van het hof om op ieder verzoek van een niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman direct gemotiveerd te beslissen kan geen sprake zijn. Die motivering kan ook in een later stadium, bij voorbeeld bij het eindarrest, worden gegeven, als het hof, alvorens ten gronde te beslissen, de vraag onder ogen ziet of het strafproces fair was en de verdachte zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Aldus wordt voorkomen dat de raadsman niet slechts het woord voert, maar ook allerlei rechtshandelingen verricht en zich aldus als procesdeelnemer presenteert, terwijl hij - bij
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/14419399b3eaef151faaff585d65d812a014949222ce349c154b9a568ce25be1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 14419399b3eaef151faaff585d65d812a014949222ce349c154b9a568ce25be1, en de alinea staat in dat document op bytes 60883 tot 61947.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/14419399b3eaef151faaff585d65d812a014949222ce349c154b9a568ce25be1 | shasum -a 256