Citaat | Hoge Raad 14 december 2001
Alinea 33 Hoge Raad 14 december 2001
Een alinea uit Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4933.
3.1 Met betrekking tot de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar rov. 3.1 van zijn beschikking van 23 april 1999, nr. 9115, NJ 2000, 30. In deze beschikking heeft de Hoge Raad in het principaal beroep overwogen dat het in dit geval, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, gaat om een stil verpande vordering waarop derdenbeslag wordt gelegd door een andere schuldeiser dan de pandhouder. Hiervan uitgaande heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door NBC als pandhouder wiens recht door de executie is vervallen, de bevoegdheid te ontzeggen op de voet van art. 481 in verbinding met art. 480 Rv. de benoeming van een rechter-commissaris te verzoeken, voor wie een rangregeling zal plaatsvinden. In het incidenteel beroep heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of het zekerheidsrecht naar Tanzaniaans recht, waarop NBC zich beroept, vergelijkbaar is met een pandrecht naar Nederlands recht - aan de beantwoording van welke vraag Rechtbank en Hof niet waren toegekomen - na verwijzing aan de orde kan komen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7cd9d077f119dfd30ac6ae5b87636bd6e44bd33e10c24fca6b6d41035745b003. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7cd9d077f119dfd30ac6ae5b87636bd6e44bd33e10c24fca6b6d41035745b003, en de alinea staat in dat document op bytes 8059 tot 9215.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7cd9d077f119dfd30ac6ae5b87636bd6e44bd33e10c24fca6b6d41035745b003 | shasum -a 256