Citaat | Hoge Raad 6 november 2001

Alinea 40 Hoge Raad 6 november 2001

Een alinea uit Hoge Raad 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5128.

4.3.2. Art. 290, eerste lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, houdt in dat de zittingsrechter kan bepalen dat het vragen naar een bepaald in dat voorschrift genoemd gegeven (naam, voornamen, geboortedatum, woon- of verblijfplaats, beroep, bloed- of aanverwantschap van de verdachte) achterwege zal worden gelaten indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. Ingevolge die bepaling is dus de zittingsrechter bevoegd terzake een beslissing te geven, maar niet is geregeld op welke wijze deze in het gegeven geval dient te onderzoeken of bepaalde persoonsgegevens niet behoeven te worden vermeld, zonder dat deze daardoor reeds aanstonds aan de overige procesdeelnemers bekend worden. Ook de wetsgeschiedenis geeft daaromtrent geen uitsluitsel. Daarin wordt in dit verband met name aandacht geschonken aan politiefunctionarissen. Dan kan in het algemeen, zonder dat de betrokkene zelf is gehoord, worden vastgesteld of gelet op diens functie - waaromtrent zonodig een meerdere in persoon kan worden gehoord - moet worden volstaan met bepaalde gegevens zoals de functie en het dienstonderdeel van de betrokkene.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e09825fbd626eeefbfaed912f1544e8621463cff3e1fec960859227d5e043340. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e09825fbd626eeefbfaed912f1544e8621463cff3e1fec960859227d5e043340, en de alinea staat in dat document op bytes 15540 tot 16858.