Citaat | Hoge Raad 6 november 2001

Alinea 42 Hoge Raad 6 november 2001

Een alinea uit Hoge Raad 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5128.

4.3.3. Het voorgaande brengt mee dat in een geval als het onderhavige, waarin niet aanstonds duidelijk is of en in welke mate aan een verzoek om bepaalde persoonsgegevens niet te vermelden kan worden voldaan, de zaak zal moeten worden verwezen naar de rechter-commissaris, zoals dat ook zal dienen te geschieden indien - zoals het Hof hier blijkens zijn beslissing gegeven ter terechtzitting van 17 september 1998 (hiervoor onder 4.1 sub (iv) vermeld) niet heeft uitgesloten - wellicht niet met het verlenen van zogenaamde beperkte anonimiteit kan worden volstaan en onderzocht moet worden of er gronden zijn om aan de getuige volledige anonimiteit toe te kennen; in dat geval gaat het om de status van "bedreigde getuige" in de zin van art. 136c Sv. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet getuigenbescherming (Stb. 1993, 603) houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e09825fbd626eeefbfaed912f1544e8621463cff3e1fec960859227d5e043340. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e09825fbd626eeefbfaed912f1544e8621463cff3e1fec960859227d5e043340, en de alinea staat in dat document op bytes 17300 tot 18227.