Citaat | Hoge Raad 14 december 2001
Alinea 36 Hoge Raad 14 december 2001
Een alinea uit Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5362.
3.2.2 Bij de beoordeling van deze beide onderdelen moet worden vooropgesteld dat, terwijl art. 20 F. ten aanzien van het faillissement bepaalt dat dit het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring omvat alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft, art. 295 lid 1 F. de boedel omschrijft als omvattende "de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt." De wet noch de wetsgeschiedenis biedt een aanknopingspunt voor de opvatting dat aan het begrip "boedel" in art. 153 lid 2, aanhef en onder 1° F. een beperktere betekenis moet worden toegekend, aldus dat onder de in deze bepaling bedoelde "baten des boedels" slechts worden verstaan de ten tijde van de aanbieding van het akkoord aanwezige baten en niet tevens die welke bij voortzetting van het faillissement of de toepassing van de schuldsaneringsregeling nog te verwachten zouden zijn. Het tegendeel is het geval. De door de onderdelen aangevallen beperkte uitleg van art. 153 lid 2, aanhef en onder 1° F. is in strijd met de strekking van deze bepaling, te weten het tegengaan van akkoorden waardoor de schuldeisers worden benadeeld (Geschiedenis van de Faillissementswet II, blz. 177). Met deze strekking valt slechts een uitleg te verenigen volgens welke bij de toepassing van art. 153 lid 2, aanhef en onder 1° F. ook baten die de schuldenaar naar verwachting na de aanbieding van het akkoord nog zal verkrijgen als "baten des boedels" in aanmerking worden genomen. Voorzover het de toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft, vindt deze uitleg voorts steun in een der uitgangspunten van de Wet van 25 juni 1998 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, Stb. 1998, 445. Het uitgangspunt immers dat, tegenover het uitzicht om als het ware weer met een schone lei verder te kunnen gaan, van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers (MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 6). Steun is in de derde plaats te vinden in het bepaalde in art. 332 lid 4 onder b F., in die zin dat niet valt in te zien waarom de bij de toepassing van die bepaling geldende maatstaf, te weten: de te verwachten omvang van de boedel bij voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, een andere zou zijn dan bij toepassing van art. 153 lid 2, aanhef en onder 1° in verbinding met art. 338 lid 2 F. De onderdelen ii en iii zijn derhalve terecht voorgesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d526f6d9fb5c816ccde93016090fdb16695806616a95f0d454fc4fc332a09a7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d526f6d9fb5c816ccde93016090fdb16695806616a95f0d454fc4fc332a09a7, en de alinea staat in dat document op bytes 10351 tot 13066.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d526f6d9fb5c816ccde93016090fdb16695806616a95f0d454fc4fc332a09a7 | shasum -a 256