Citaat | Hoge Raad 30 november 2001

Alinea 12 Hoge Raad 30 november 2001

Een alinea uit Hoge Raad 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6419.

2.1. Naar volgt uit de hiervoor in 1.1 onder 1) vermelde verklaring voor recht en de daaraan ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen, moet het begrip "vestiging" in artikel 2, onder d, laatste streepje, van de Tweede richtlijn schadeverzekering van 22 juni 1988 (88/357/EEG, hierna: de Richtlijn) aldus worden verstaan dat het dochter- en kleindochtermaatschappijen (en andere concernvennootschappen) van de rechtspersoon die verzekeringnemer is, omvat. Het in de bestreden uitspraak in de onderdelen 5.5.4 en 5.5.5 vervatte oordeel van het Hof is daarmee in overeenstemming, ook al wordt, kort gezegd, dat oordeel - naar uit het arrest van het Hof van Justitie volgt: ten onrechte - aldus gemotiveerd dat onder het begrip "duurzame aanwezigheid" in artikel 3 van de Richtlijn een dochtermaatschappij moet worden begrepen. Dit brengt mee dat, wat er zij van de door het Hof gegeven motivering, de in het middel vervatte rechtsklachten falen voorzover zij zich richten tegen het oordeel van het Hof dat B B.V. moet worden aangemerkt als een vestiging van belanghebbende in de zin van artikel 2, onder d, laatste streepje, van de Richtlijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d88ca79f04df916e98cd620eb7a10d67d759366ee00ad518540a0b5bfdb05079. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d88ca79f04df916e98cd620eb7a10d67d759366ee00ad518540a0b5bfdb05079, en de alinea staat in dat document op bytes 6596 tot 7749.