Citaat | Hoge Raad 30 november 2001

Alinea 17 Hoge Raad 30 november 2001

Een alinea uit Hoge Raad 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6419.

2.6. In de uitlating naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie heeft belanghebbende subsidiair nog aangevoerd dat de door het Hof van Justitie gegeven uitleg zodanig ver verwijderd is van de tekst van de Richtlijn, de Nederlandse wet, en de uit de wetshistorie en jurisprudentie blijkende interpretatie van de wet, dat een redelijke wetstoepassing op grond van het rechtszekerheidsbeginsel verlangt dat belanghebbende niet de nadelige gevolgen ondervindt van de thans door het Hof van Justitie gegeven interpretatie, zulks in ieder geval voor situaties die dateren van vóór de datum waarop het Hof van Justitie uitspraak deed. Voorzover belanghebbende hierbij het oog heeft op het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving, faalt dit betoog, omdat dat beginsel geen uitdrukking heeft gevonden in enige een ieder verbindende verdragsbepaling, zodat het de rechter niet vrijstaat de wet aan dat beginsel te toetsen (HR 21 maart 1990, nr. 26283, BNB 1990/179). Voorzover belanghebbende hierbij het - van de communautaire rechtsorde deel uitmakende - vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel op het oog heeft, welke beginselen door de lidstaten in de uitoefening van de hun door de gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden moeten worden nageleefd (zie onder meer HvJ EG 3 december 1998, Belgocodex, C-381/97, Jurispr. Blz. I-8153, BNB 1999/29), faalt het betoog evenzeer, waarbij in het midden kan blijven of te dezen sprake is van uitoefening door de lidstaten van de hun door de gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden. Met de aanvaarding van de Richtlijn kwam vast te staan dat de Wet binnen de door de Richtlijn gestelde termijn zou moeten worden gewijzigd en dat de gewijzigde bepalingen van de Wet binnen 24 maanden na de kennisgeving van de Richtlijn (welke op 30 juni 1988 heeft plaatsgevonden) moesten worden toegepast. Zulks bracht met zich dat geen sprake kon zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de te wijzigen bepalingen van de Nederlandse wet ook na 30 juni 1990 van toepassing zouden blijven. De omstandigheid dat eerst op 14 juni 2001 door de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen duidelijkheid is verkregen omtrent de juiste uitlegging van de Richtlijn, brengt daarin geen verandering. Indien het Hof van Justitie geen aanleiding heeft gevonden de gevolgen van zijn uitspraak te beperken tot toekomstige gevallen, staat het de nationale rechter niet vrij met betrekking tot de toepassing van een richtlijnconform uit te leggen bepaling van nationaal recht een dergelijke overgangsregeling te treffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d88ca79f04df916e98cd620eb7a10d67d759366ee00ad518540a0b5bfdb05079. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d88ca79f04df916e98cd620eb7a10d67d759366ee00ad518540a0b5bfdb05079, en de alinea staat in dat document op bytes 14181 tot 16779.