Citaat | Hoge Raad 5 oktober 2001

Alinea 40 Hoge Raad 5 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3663.

3.3 Bij vonnis van 15 september 1999 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd. Zij overwoog daartoe, verkort weergegeven, het volgende. Door de ontruiming van de kamer van [eiser] op 15 februari 1996 is van rechtswege een eind gekomen aan de huurovereenkomst tussen [eiser] als huurder en [betrokkene A] als verhuurster. [betrokkene A] was ten tijde van de ontruiming een bejaarde vrouw, van wie [eiser] onder andere in zijn beroepschrift in de procedure bij de bestuurssector van de Rechtbank een beeld heeft gegeven dat erop duidt dat zij een zachtaardige, gelovige vrouw is, die zelfstandig - maar niet alleen - wilde blijven wonen en daarom kamers verhuurde op een onbeholpen en naïeve manier. Gelet op de persoon van [betrokkene A], kan er, aldus de Rechtbank, niet van worden uitgegaan dat de aanschrijving voor haar voorzienbaar was en dat zij het bewust zo ver heeft laten komen. Concrete aanwijzingen daarvoor zijn er niet. Voorts kan door [eiser] in redelijkheid niet worden verlangd dat zij geen gehoor gaf aan de aanschrijving voor zover het zijn kamer betrof; niet is gesteld of gebleken dat hij destijds pogingen heeft ondernomen om haar daarvan te weerhouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc28022eaf8c6f20b8235a7cdb544172151a0f9505dda28e821cbc99a7c5d1a3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc28022eaf8c6f20b8235a7cdb544172151a0f9505dda28e821cbc99a7c5d1a3, en de alinea staat in dat document op bytes 10363 tot 11573.