Citaat | Hoge Raad 5 juni 2001

Alinea 25 Hoge Raad 5 juni 2001

Een alinea uit Hoge Raad 5 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2023.

3.2. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat de verdachte enige wetenschap had van de door zijn medeverdachten gepleegde valsheid in geschrift ter administratieve versluiering van de aflevering van groeibevorderaars dan wel van de gerichtheid van het samenwerkingsverband op het plegen van zodanige valsheden. Nu de bewijsmiddelen daarnaast met betrekking tot hetgeen de verdachte heeft geweten slechts inhouden dat die wetenschap betrekking had op het in het samenwerkingsverband begane afleveren en het in voorraad hebben van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen (welke gedragingen ingevolge art. 2, eerste lid, Diergeneesmiddelenwet in verbinding met art. 2, eerste lid aanhef en onder 4°, WED en art. 2, vierde lid, WED slechts overtredingen opleveren) kan daaruit evenmin volgen dat de verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De bewezenverklaring van feit 1 is derhalve niet naar de eis van de wet met redenen omkleed. De bestreden uitspraak kan in zoverre dus niet in stand blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff0db2e7ae93394eb38f78792bab7d152880c34da0188d0845aa046605b0e5ac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff0db2e7ae93394eb38f78792bab7d152880c34da0188d0845aa046605b0e5ac, en de alinea staat in dat document op bytes 8070 tot 9181.