Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 40 Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2513.

Maar in de onderhavige zaak is een poging gedaan een 'eerlijk proces' te frustreren doordien de [C B.V.] een gefingeerde vordering uit onverschuldigde betaling tegen de Zwitserse vennootschap heeft ingesteld, in het verweer waartegen aan het licht is gekomen dat zij alsmede haar directeur zich vermoedelijk aan strafbare feiten hadden schuldig gemaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de rechter niet de vrijheid toekwam in het kader van art. 161 Sv die stukken, ten aanzien waarvan bij hem het vermoeden was gerezen dat de verdachte en de vennootschap waarvan hij directeur was, strafbare feiten hebben gepleegd, aan de Officier van Justitie voor aangifte door te geleiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f952f43f9ec0eee6cd0a29bb79aba80ca3a667928551588cba5a96b357a5bc3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f952f43f9ec0eee6cd0a29bb79aba80ca3a667928551588cba5a96b357a5bc3, en de alinea staat in dat document op bytes 15706 tot 16417.