Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 46 Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2513.

Indien het met dit oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat in een geval waarin de rechter niet de vrijheid toekomt om aangifte te doen, zoals omschreven in HR 30 maart 1998, NJ 1998, 554, de belangenafweging in dat geval, en in al zulke gevallen, moet uitmonden in een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ongeacht de ernst van de feiten, ook als de verdachte geen partij is in het burgerlijk geding waarin die feiten aan het licht komen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Een algemene toepassing van een zó ver gaand rechtsgevolg van een aangifte in strijd met HR 30 maart 1998, NJ 1998, 554, vindt geen steun in het recht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f952f43f9ec0eee6cd0a29bb79aba80ca3a667928551588cba5a96b357a5bc3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f952f43f9ec0eee6cd0a29bb79aba80ca3a667928551588cba5a96b357a5bc3, en de alinea staat in dat document op bytes 18477 tot 19188.