Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2001
Alinea 48 Hoge Raad 30 oktober 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2516.
Daardoor wordt het onderhavige geval gekenmerkt. Daarmee verschilt het van een geval als waarvan in het arrest van de Vierde (Ombuds-)Kamer van de Hoge Raad van 30 maart 1998, NJ 1998, 554, sprake was. Toen ging het erom dat de openheid in de gedingvoering en daarmee de waarheidsvinding juist werd gediend met het achterwege blijven van een aangifte door de rechter. Alle voor de beslissing van het geschil - volgens de partijen - van belang zijnde feiten zouden niet vrijelijk naar voren worden gebracht, indien de vrees zou bestaan dat de rechter aangifte zal doen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/afdffb84933e259d1bd9befc7ea8a4450312bf223d0d32eaa120736411062b34. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt afdffb84933e259d1bd9befc7ea8a4450312bf223d0d32eaa120736411062b34, en de alinea staat in dat document op bytes 16338 tot 16920.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/afdffb84933e259d1bd9befc7ea8a4450312bf223d0d32eaa120736411062b34 | shasum -a 256