Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2001
Alinea 49 Hoge Raad 30 oktober 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2516.
Maar in de onderhavige zaak is een poging gedaan een 'eerlijk proces' te frustreren doordien de verdachte een gefingeerde vordering uit onverschuldigde betaling tegen de Zwitserse vennootschap heeft ingesteld, in het verweer waartegen aan het licht is gekomen dat de verdachte zich vermoedelijk aan strafbare feiten had schuldig gemaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de rechter niet de vrijheid toekwam in het kader van art. 161 Sv die stukken, ten aanzien waarvan bij hem het vermoeden was gerezen dat de verdachte strafbare feiten had gepleegd, aan de Officier van Justitie voor aangifte door te geleiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/afdffb84933e259d1bd9befc7ea8a4450312bf223d0d32eaa120736411062b34. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt afdffb84933e259d1bd9befc7ea8a4450312bf223d0d32eaa120736411062b34, en de alinea staat in dat document op bytes 16928 tot 17573.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/afdffb84933e259d1bd9befc7ea8a4450312bf223d0d32eaa120736411062b34 | shasum -a 256