Citaat | Hoge Raad 5 februari 2002
Alinea 36 Hoge Raad 5 februari 2002
Een alinea uit Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AB2873.
4.4. Waar het Hof in zijn motivering van de aangevallen beslissing spreekt van door de verdachte gegeven toestemming voor onderzoek op de in het verweer bedoelde plaatsen, heeft het kennelijk het oog op de hiervoor onder 4.3.2 en 4.3.5 vermelde verklaringen van de verdachte. Het feitelijke oordeel van het Hof dat die verklaringen "ten aanzien van tijd en plaats" een ongeclausuleerde toestemming behelzen, is gelet op de inhoud van die verklaringen, bezien in onderling verband en in samenhang met de hiervoor onder 4.3.3. weergeven verklaring van de verdachte niet onbegrijpelijk. Voor dat oordeel heeft het Hof voor wat betreft verdachte's toestemming voor het binnentreden door de politie van de woning van de verdachte op 15 mei 1995 kennelijk en niet onbegrijpelijk bevestiging gevonden in de in het hiervoor onder 4.3.4. vermelde proces-verbaal gerelateerde afspraken van de politie met de vriendin van de verdachte die in verband met dat binnentreden zijn gemaakt. Uit hetgeen dienaangaande in dat proces-verbaal is gerelateerd kan immers worden afgeleid dat de verdachte bij die afspraken was betrokken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4206b2a39f58da8309ad5f1ee1a457e6ffd38cd49beaf8b5a0c793cacffc86f7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4206b2a39f58da8309ad5f1ee1a457e6ffd38cd49beaf8b5a0c793cacffc86f7, en de alinea staat in dat document op bytes 14035 tot 15161.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4206b2a39f58da8309ad5f1ee1a457e6ffd38cd49beaf8b5a0c793cacffc86f7 | shasum -a 256