Citaat | Hoge Raad 12 februari 2002
Alinea 24 Hoge Raad 12 februari 2002
Een alinea uit Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4402.
3.4. Het voorafgaande brengt mee dat bedoelde deskundige zich met een beroep op het hem toekomende verschoningsrecht, dat is afgeleid van het verschoningsrecht van de advocaat, zal kunnen verzetten tegen inbeslagneming van brieven en stukken, indien en voorzover deze zich bij hem bevinden in verband met de vervulling van een door hem aanvaarde opdracht, welke hem is verleend door de advocaat in het kader van de behandeling van een bepaalde door een cliënt aan deze toevertrouwde aangelegenheid. De aard van de hier aan de orde zijnde afgeleide bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of stukken object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid (vgl. HR 29 maart 1994, NJ 1994, 552).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7dfc12454cdd61127faa7c172d71b2693a72fd959f31fd47e59e8689d56f81cc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7dfc12454cdd61127faa7c172d71b2693a72fd959f31fd47e59e8689d56f81cc, en de alinea staat in dat document op bytes 10999 tot 11833.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7dfc12454cdd61127faa7c172d71b2693a72fd959f31fd47e59e8689d56f81cc | shasum -a 256