Citaat | Hoge Raad 5 februari 2002
Alinea 58 Hoge Raad 5 februari 2002
Een alinea uit Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235.
5.6. Anderzijds zal, naar moet worden aangenomen, de dader zich wel bewust moeten zijn van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Anders zouden ook de verdachte niet bekende en ook niet kenbare hoogstpersoonlijke omstandigheden van de betrokkene in het kader van dit misdrijf relevant zijn. Anders dan in art. 250ter, eerste lid onder 3°, Sr, waarin het bestanddeel van de minderjarigheid geheel is geobjectiveerd, gaat de dader hier dus niet slechts vrijuit indien afwezigheid van alle schuld ten aanzien van zodanige omstandigheden moet worden aangenomen, doch zal het bovenbedoelde opzet uit de bewijsmiddelen moeten kunnen worden afgeleid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/faa0b9722fcd357770df75346d8eb0b1ee0c0d7975848a525d8c88f9a57630c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt faa0b9722fcd357770df75346d8eb0b1ee0c0d7975848a525d8c88f9a57630c4, en de alinea staat in dat document op bytes 17586 tot 18458.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/faa0b9722fcd357770df75346d8eb0b1ee0c0d7975848a525d8c88f9a57630c4 | shasum -a 256