Citaat | Hoge Raad 18 juni 2002

Alinea 47 Hoge Raad 18 juni 2002

Een alinea uit Hoge Raad 18 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5297.

"De raadsman heeft voorts met een beroep op artikel 98, tweede lid, juncto artikel 113, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 1994 (NJ 94/537) gesteld, dat de vraag of brieven en geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de betrokken advocaat en dat kennisneming daarvan door derden in afwijking van het oordeel van die advocaat dus leidt tot schending van het beroepsgeheim.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0c2dcbe93cdd9a8cc3b4a103c76dce6593844a465d3948d9be4aff6e7a9d1fcf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0c2dcbe93cdd9a8cc3b4a103c76dce6593844a465d3948d9be4aff6e7a9d1fcf, en de alinea staat in dat document op bytes 16875 tot 17361.