Citaat | Hoge Raad 1 februari 2002
Alinea 43 Hoge Raad 1 februari 2002
Een alinea uit Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5355.
3.4 In zijn memorie van grieven heeft [eiser] onder meer aangevoerd: "Hoewel aan de toenmalige advocaat bekend was dat appellant geen feitelijke bemoeienis heeft gehad met de verkoop (…) en daarom ook geen partij was bij de koopovereenkomst zijn door deze advocaat hierdoor kennelijk toch de belangen van [eiser] uit het oog verloren en heeft hij dit essentiële argument niet aangevoerd in de procedure in eerste aanleg." In deze stellingen ligt, aldus onderdeel 2a, een beroep op art. 181 lid 2 Rv. besloten. Onbegrijpelijk is dan ook, zo betoogt onderdeel 2a voorts, dat het Hof vaststelt dat niet is gesteld of gebleken dat één van de in art. 181 lid 2 Rv. gestelde omstandigheden zich voordoet. Onderdeel 2b strekt ten betoge dat de door [eiser] gestelde fout (vergissing) van zijn advocaat in eerste aanleg, die hierin heeft bestaan dat deze, evident ten onrechte, kennelijk heeft gemeend te kunnen volstaan met het naar voren brengen van slechts die weren die de aanvankelijk enige cliënt voor wie deze advocaat optrad (B+R Holding), zouden kunnen baten, op gelijke voet moet worden beoordeeld als het geval dat een partij zich heeft vergist of in de war is geraakt en waarin blijkens de wetsgeschiedenis sprake kan zijn van een erkentenis onder invloed van dwaling in de zin van art. 181 lid 2.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/82c8a2ca9690930217da3841608c8785144875b3b51cb7cbb9b8784d97299ecf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 82c8a2ca9690930217da3841608c8785144875b3b51cb7cbb9b8784d97299ecf, en de alinea staat in dat document op bytes 13251 tot 14571.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/82c8a2ca9690930217da3841608c8785144875b3b51cb7cbb9b8784d97299ecf | shasum -a 256