Citaat | Hoge Raad 22 februari 2002

Alinea 32 Hoge Raad 22 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356.

(ii) [De dochter] had kort voor het ongeval aan haar moeder gevraagd of zij over het woonerf naar de nabijgelegen speelplaats mocht rijden. [Verweerster] bevond zich op het tijdstip van het ongeval in haar woning. Zij is door een buurvrouw gewaarschuwd. Op de plaats van het ongeval zag zij haar dochter levenloos liggen. Zij zag de schedelinhoud aan voor braaksel. [Verweerster] heeft een ambulance gebeld en is vervolgens aanstonds teruggerend naar haar dochter die op haar buik, met haar gezicht naar beneden lag. [Verweerster] heeft geprobeerd met haar hand het hoofd van haar dochter om te draaien. Daarbij heeft zij tot haar ontzetting ervaren dat haar hand vrijwel geheel in de schedel van het meisje verdween en dat de schedelinhoud op straat lag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c5593f0e8846cb47f7ac54d230a15ac65140960e4a98848c6799284b9cdece4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c5593f0e8846cb47f7ac54d230a15ac65140960e4a98848c6799284b9cdece4a, en de alinea staat in dat document op bytes 7849 tot 8617.