Citaat | Hoge Raad 26 februari 2002
Alinea 27 Hoge Raad 26 februari 2002
Een alinea uit Hoge Raad 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5368.
Op grond van de wetsgeschiedenis moet veeleer worden aangenomen dat de wetgever de oplegging van de in het derde lid bedoelde betalingsverplichting slechts heeft willen uitsluiten indien de betrokkene niet is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en/of tegen hem als verdachte van dat misdrijf geen SFO is ingesteld, en niet tevens indien het daar bedoelde voordeel niet tenminste gedeeltelijk verband houdt met het misdrijf ter zake waarvan hij is veroordeeld. Dat strookt ook met het bepaalde in art. 126f, tweede lid, Sv, op grond waarvan, voorzover hier van belang, de officier van justitie alleen dan gehouden is over te gaan tot de sluiting van het SFO indien de betrokkene bij de einduitspraak ter zake van het misdrijf bedoeld in art. 36e, derde lid, Sr niet wordt veroordeeld. Die sluiting is dus niet voorgeschreven indien uit dat onderzoek blijkt dat de betrokkene door middel van of uit de baten van dat misdrijf ter zake waarvan hij bij de einduitspraak is veroordeeld, geen voordeel heeft verkregen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5327aa93800e267794f2750e2de6fcd80f93dc55aa2d67702b2127e29f55d34a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5327aa93800e267794f2750e2de6fcd80f93dc55aa2d67702b2127e29f55d34a, en de alinea staat in dat document op bytes 11350 tot 12438.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5327aa93800e267794f2750e2de6fcd80f93dc55aa2d67702b2127e29f55d34a | shasum -a 256