Citaat | Hoge Raad 22 januari 2002

Alinea 74 Hoge Raad 22 januari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 22 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5595.

Aan het voorgaande doet niet af hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent de gang van zaken tijdens de behandeling in eerste aanleg, alwaar [betrokkene A] twee maal als getuige in het bijzijn van de verdediging is gehoord. Immers, de omstandigheid dat [betrokkene A] toen heeft verklaard in [plaats B] te wonen en toen, in de eerste helft van 2000, blijkbaar voor de Officier van Justitie te Rotterdam bereikbaar was, sluit niet uit, dat zulks, naar het Hof kennelijk heeft aangenomen op grond van het onder 3.3.1 sub (iii) bedoelde proces-verbaal en zijn nader onderzoek ter terechtzitting, niet meer het geval was sedert het tijdstip dat van overheidswege tegen [betrokkene A] maatregelen werden genomen in verband met zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Het oordeel van het Hof, daarop neerkomende dat - overeenkomstig hetgeen de Advocaat-Generaal had gesteld in zijn hiervoor onder 3.3.1 onder (ii) genoemde brief - zo al zou moeten worden aangenomen dat [betrokkene A] nog in Nederland verbleef, zijn woon- of verblijfplaats niet (meer) bekend was en hij zich niet langer in detentie bevond, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/544335cafcaa418234a45364a327e584d0a4b48f91b31fbb291903db8d8dfb9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 544335cafcaa418234a45364a327e584d0a4b48f91b31fbb291903db8d8dfb9a, en de alinea staat in dat document op bytes 18038 tot 19226.