Citaat | Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 78 Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811.

3.6 Bij de beoordeling van onderdeel C moet worden vooropgesteld dat het niet is uitgesloten dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar die voordat de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is voltooid met een schuldeiser in onderhandeling treedt zich tegenover deze erop beroept dat op enig tijdstip gedurende de onderhandelingen deze termijn is voltooid. In een zodanig geval moet worden aangenomen dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen te rekenen van het ogenblik waarop de onderhandelingen worden afgebroken. Het Hof had derhalve, naar onderdeel C terecht betoogt, niet zonder enige motivering voorbij mogen gaan aan de in de feitelijke instanties door [eiser] geponeerde stelling dat de erven [betrokkene A] zich gelet op de aard en de omvang van de onderhandelingen en het verloop daarvan niet te goeder trouw op verjaring kunnen beroepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa6d4df8dfdd53d267e11622483c1a316e917165edd1ff57825c3721b2a341f1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa6d4df8dfdd53d267e11622483c1a316e917165edd1ff57825c3721b2a341f1, en de alinea staat in dat document op bytes 19391 tot 20334.