Citaat | Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 41 Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6100.

3.2 [Eiser] heeft gevorderd (kort weergegeven) dat voor recht wordt verklaard dat het dienstverband tussen [eiser] en de Bank nog steeds voortduurt en dat [eiser] jegens de Bank aanspraak heeft op de voor hem uit dat dienstverband voortvloeiende salarisbetalingen en andere emolumenten, met veroordeling van de Bank tot betaling van het aan [eiser] te dier zake toekomende totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd. Het GEA heeft de vordering toegewezen. Het achtte de ontbindende voorwaarde van art. 7 lid 1, aanhef en onder d, van het Reglement, waarop de Bank zich had beroepen, onverenigbaar met de regels betreffende beëindiging van een arbeidsovereenkomst, nu het ontslag ingevolge art. 18 lid 3 CBS slechts kan worden verleend op voordracht van de raad van commissarissen zodat de Bank voor een belangrijk deel de vervulling van de voorwaarde zelf in de hand heeft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e1db27832f9898bfbb62c24c4ffa24ea9b108e5a643e0e36b8944c8ace709731. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e1db27832f9898bfbb62c24c4ffa24ea9b108e5a643e0e36b8944c8ace709731, en de alinea staat in dat document op bytes 9247 tot 10166.