Citaat | Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 49 Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6627.

4.4 Middel I is gericht tegen hetgeen het Hof heeft overwogen in rov. 4.6.5. Onderdeel 1 betoogt dat het Hof de voordeelstoerekening (het onderdeel wijst op art. 6:100 BW) onjuist heeft toegepast, daar een voordeel dat geheel fictief van aard is en niet heeft geleid tot in werkelijkheid genoten inkomsten of tot het achterwege blijven van reële uitgaven - zoals de door het Hof in aanmerking genomen fictieve inkomsten, te weten "het vrijkomen van het in die woning geïnvesteerde vermogen" dan wel "de door het einde van de eigen bewoning vrijkomende huurwaarde" - in het kader van de voordeelstoerekening, bijzondere omstandigheden daargelaten, buiten beschouwing dient te blijven. Onderdeel 2 acht door het Hof onvoldoende gemotiveerd welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen om "de mogelijkheid de woning te verhuren" en het daarmee te behalen voordeel van ƒ 1.000,-- per maand als een te verrekenen voordeel in aanmerking te nemen. Met name acht het oordeel onvoldoende gemotiveerd waarom van [de man] in redelijkheid gevergd had kunnen worden dat hij tot verhuur zou zijn overgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a454f767766c2ae1f5c863fa0851cc913a39096d887203a543932ba74b3d38f1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a454f767766c2ae1f5c863fa0851cc913a39096d887203a543932ba74b3d38f1, en de alinea staat in dat document op bytes 13518 tot 14629.